In een aangewaaide wilde roos (geen
egelantier) zag ik ineens een oranjerozige bal. Ik had er nog nooit een eerder
'in het echt' gezien, maar wist onmiddelijk wat het was. Een
rozengal.
De latijnse naam is diplolepis rosae. Synoniemen zijn onder andere mosgal,
bedeguaargal (vreemde naam?) en
slaapappelgal.
De mosgal wordt
veroorzaakt door een galwespje (de galmaker) en komt alleen voor op wilde rozen.
Het is een bol geheel bedekt met lange vertakte haarachtige uitgroeisels, groen
of rood. Meestal groeien de gallen uit pasuitgelopen bladeren en bevinden zich
dan op de uiteinden van de takken. Dit worden de grootste gallen, tot een
doorsnede van 5 cm. Soms groeien gallen op de bladeren, dan blijven ze veel
kleiner.
Op onze foto's zie je
een grote gal, zo'n 3 cm groot, en een paar kleine gallen op een blad
ernaast.
Binnenin
bevinden zich meerder kleine kamertjes, waarin de larven van het galwespje
opgroeien. De galwesp legt in mei eitjes. Tegen het eind van de zomer verpoppen
de galwespen om dan volgend voorjaar uit te komen. De gal is niet schadelijk
voor de plant.