| ORGELADVIESCOMMISSIE van de Hervormde Gemeente te Alblasserdam
Eindrapport van de restauratie van het orgel in de Grote Kerk
1. Historisch overzicht
2. De windvoorziening
3. Het regeerwerk
4. Het pijpwerk
5. De orgelkas
1. Historisch overzicht
1.1. Op Hemelvaartsdag 1881 werd volgens een bericht uit het blad 'Stemmen van Waarheid en Vrede' (1881, no. 2 blz. 88) het nieuwe pijporgel in de Nieuwe Kerk te Alblasserdam ingewijd met een preek over Openbaringen 19 : 7a.
Het instrument was gebouwd door de Groningse orgelbouwer Roelf Meijer (1827?1884), die in totaal ongeveer negen orgels maakte, waarbij hij zich met uitzondering van Alblasserdam, nooit verder dan 40 km buiten zijn woonplaats Veendam begaf.
Merkwaardig~1~ is overigens dat M.H. van 't Kruis in zijn boek 'Disposities van orgels in Nederland' (1885) als bouwjaar 1882 vermeldt, en er in het orgel het met de hand geschreven opschrift gevonden is: 'W. Beukema, te Groningen geboren 11 November 1854, Veendam den 25 januari 1882'.
De dispositie in 1882 was als volgt: (ontleend aan het zoëven vermelde boek van M.H. van 't Kruis~2~)
| Hoofdwerk |
|
Bovenwerk |
|
Pedaal |
| Prestant |
8 |
Roerfluit |
8 |
aangehangen |
| Bourdon |
16 |
Viola |
8 |
|
| Holpijp |
8 |
Salicionaal |
4 |
|
| Gemshoorn |
8 |
Fluit travers |
4 |
|
| Octaaf |
4 |
Woudfluit |
2 |
|
| Fluit |
4 |
|
|
|
| Quint |
2 2/3 |
|
|
|
| Octaaf |
1 |
|
|
Koppel |
| Cornet |
3st |
|
|
Ventiel |
Trompet 8' en Dulciaan 8' gereserveerd. Organist W. Mijsbergh.
1.2. Op 10 maart 1898 werd de Nieuwe Kerk gesloten, omdat door slechte beheïng en te lichte bouw dit bedehuis te gevaarlijk werd om er nog langer kerkdiensten in te houden ( het gebouw dateerde van 1854).
Na de afbraak van deze koepelkerk werd op dezelfde plaats een nieuw gebouw opgericht, de huidige Grote Kerk. Op 1 oktober 1899 werd de eerste dienst gehouden in deze, voor een orgel van 14 stemmen veel te grote kerk. Waarschijnlijk is toen al behoefte gevoeld aan uitbreiding.
Wie het orgel overgeplaatst heeft is onbekend; het is in ieder geval niet gewijzigd. Wel is de naam van een zekere J. Kerper te Gouda in de kleppenkast van het bovenwerk aangetroffen met als jaartal 1904, maar onduidelijk is wat hij in of aan het orgel heeft verricht. Kosten f 250,-.
Later, vermoedelijk rond 1930, is op mysterieuze wijze het kroonwerk, waaronder een David-figuur met harp, verdwenen.
1.3. In 1940 is er een grondige ingreep in de opbouw van het orgel uitgevoerd. De firma Van Leeuwen uit Leiderdorp heeft toen een aantal veranderingen aangebracht. Het zijn naar alle waarschijnlijkheid de volgende:
a. Het pedaal werd zelfstandig gemaakt met een pneumatische lade, waarop drie stemmen werden geplaatst, nl. Octaafbas 8' (zink), Subbas 16' en een Bazuin 16' (zink) waarvan de bekers niet verkropt werden zodat de langste vijf ver boven de orgelkas uitstaken. Om de pedaallade een plaats te kunnen geven achter de lade van het hoofdwerk werd de kas tweemaal zo diep gemaakt.
b. Van de Bourdon 16' van het hoofdwerk werden de houten pijpen die vlak achter het front stonden en daardoor de vrije uitstraling van de klank enigszins belemmerden, verplaatst naar de zijkant van de kas. Daartoe werd de kas aan de linkerzijde (vanuit de kerk gezien) uitgebreid en om de uitbouw aan het gezicht te onttrekken werd het front verbreed met een veldje loze pijpjes die in de plaats kwamen van de voluten. Ter wille van de symmetrie werd er rechts ook zo'n veldje aangebracht, waarachter voortaan de organist schuil zou gaan.
c. De vrijgekomen plaats werd benut om er een zinken Hoornprestant 8' in te bouwen op een pneumatische bank en aangesloten op de cancellen van de bovenwerklade.
d. De Cornet 3 sterk werd uitgebreid tot 5 sterk (er kwam een acht-voets en een vier?voets koor bij) en boven de lade gebracht.
e. Er werd een Mixtuur 3 - 4 sterk toegevoegd.
f. Op een kantsleep werd een Trompet bijgebouwd.
g. Op de voor een Dulciaan gereserveerde plaats kwam een Vox Humana 8'.
h. Van acht registers werd het pijpwerk een halve toon opgeschoven (Gemshoorn, Octaaf 4' en 2', Quint, Viola, Salicionaal, Flute travers, Woudfluit). Op deze manier werd kunstmatig een grotere mensuur en een groter klankvolume verkregen.
i. De frontpijpen werden vervangen door zinken pijpwerk.
j. Doormiddel van een pneumatische transmissie was de Bourdon van het hoofdwerk ook via het pedaal te bespelen.
Al deze ingrepen die gericht waren op versterking van de klank werden uitgevoerd voor de somma van f 2800,-. De dispositie luidde toen:
| Hoofdwerk |
|
Bovenwerk |
|
Pedaal |
|
| Bourdon |
16 |
Hoornprestant |
8 |
Subbas |
16 |
| Prestant |
8 |
Roerfluit |
8 |
Bourdon |
16 tr |
| Holpijp |
8 |
Viola |
8 |
Octaafbas |
8 |
| Gemshoorn |
8 |
Salicionaal |
4 |
Bazuin |
16 |
| Octaaf |
4 |
Flûte travers |
4 |
|
|
| Fluit |
4 |
Woudfluit |
2 |
|
|
| Quint |
2 2/3 |
Vox humana |
8 |
|
|
| Octaaf |
2 |
|
|
|
|
| Cornet |
5st |
|
|
Klavierkoppel |
|
| Mixtuur |
3-4st |
|
|
Pedaalkoppel |
|
| Trompet |
8 |
|
|
Tremulant |
|
Waarschijnlijk heeft na 1940, in ieder geval voor 1957, de organist W. Stout zelf de Salicionaal 4' door verschuiven veranderd in een Nasard 2 2/3'.
De pijpen die bij deze operatie erop overschoten hebben tot aan de restauratie in 1980 - 1982 onder de pedaallade in het orgel gelegen. Een echt porseleinen registerplaatje is er nooit van geweest; op een stukje cirkelvormig karton stond in het handschrift van de organist de naam.
Het is niet helemaal zeker, maar wel zeer waarschijnlijk dat Van Leeuwen ook de registerknoppen heeft vernieuwd. De oude hadden hun naam op een speciaal rechthoekig schildje onder de knop vermeld. De 'littekens' van deze naamplaatjes kwamen bij de restauratie weer te voorschijn.
1.4. In de jaren zeventig raakte het orgel steeds meer in verval en tenslotte was het onbruikbaar.
Het onderhoud dat lange tijd verricht werd door de firma Van Leeuwen, was in de jaren rond 1960 overgegaan in handen van de firma Slooff te Ouderkerk aan de IJssel.
Vanaf 1977 zweeg het windzieke orgel definitief. De gemeentezang werd begeleid met een tien-stemmig pneumatisch Standaart-orgel, dat tot die tijd in de Ichthuskerk had dienst gedaan in afwachting van de aanschaf van een nieuw pijporgel.
1.5. Intussen hadden enkele gemeenteleden van wijkgemeente Dam het initiatief genomen om geld in te zamelen voor het orgel. Zij deden dit door een oud papier?aktie te starten. In ongeveer zeven jaar tijd brachten zij f 46.000,- bij elkaar en wakkerden de belangstelling voor een nieuw of gerestaureerd orgel zodanig aan, dat veel gemeenteleden de mensen van de oud papieraktie ook bijdragen in geld ter beschikking stelden met als gevolg dat het totaal aan beschikbare geldmiddelen in 1979 ongeveer f 100.000,- bedroeg. Tezamen met het restauratiefonds van de Kerkvoogdij was dit financieel een goede start om plannen te gaan maken voor restauratie of nieuwbouw.
1.6. De kerkvoogdij riep een Orgeladviescommissie in het leven, die de taak kreeg de kerkvoogdij te adviseren in alle aangelegenheden die te maken hadden met de restauratie (of nieuwbouw). In de commissie hadden de volgende personen zitting:
- namens de kerkvoogdij: W.C. Wijting en J.D. Ros;
- namens de notabelen: J. Goedhart;
- namens de kerkeraad van wijkgemeente Dam: ds. H. Veldhuizen en G. Boom;
- namens de oudpapier aktiegroep: J. Seton;
- namens de organisten: G. Ouweneel.
De heer Wijting werd later opgevolgd door de heer J. de Kloe, en de heer R. de Jong nam de plaats in van J. Goedhart.
De gehele operatie Orgel Grote Kerk stond onder supervisie van de Orgelcommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk, met als adviseur Klaas Bolt, organist van de Grote- of Sint Bavokerk te Haarlem.
Op grond van de adviezen van Klaas Bolt, die van oordeel was dat het orgel nog voldoende waardevolle elementen bevatte, werd gekozen voor restauratie.
Drie orgelmakers, Flentrop, Reil en Blank werden uitgenodigd het orgel te bezichtigen en prijsopgaaf te doen.
De laagste inschrijver, de firma Reil te Heerde, kreeg de opdracht. De firma Blank zag achteraf niet zoveel in restauratie en trok zich terug.
Intussen was het voorjaar 1980, de oplevering zou zijn in oktober 1981.
1.7. Half november 1980 werd begonnen met het demonteren van het oude orgel; slechts de lege kas bleef staan. In overleg met Reil werden de werkzaamheden aan de kas opgedragen aan de Alblasserdamse aannemer Stam. Eind februari 1981 was timmerman A. de Bruin met de kas klaar. Het schilderwerk werd verzorgd door de firma Twist. Van muur tot muur werd een trekstang onder het orgel aangebracht.
In oktober 1981 begon de firma Reil met de opbouw van het instrument. De windladen werden geplaatst, het regeerwerk in orde gemaakt en de nieuw gemaakte houten pijpen van de pedaalstemmen en van de Bourdon pasklaar gemaakt. De namen van Henk Overweg, Henk van Eeken en Frits Telgen mogen hier niet onvermeld blijven.
Op 4 december 1981 kon het werken aan de klank beginnen, want toen werden de pijpen van de Octaaf 4' in de roosters gezet en kon intoneur Willem Wagenaar, geassisteerd door Winold van der Putten met de intonatie beginnen. Met dit uiterst belangrijke en artistieke werk waren zij bezig tot op de dag van de ingebruikneming.
1.8. Op vrijdagavond 22 januari 1982 werd in een volle Grote Kerk het voltooide orgel in gebruik genomen, met aan de klavieren Klaas Bolt. Tegenover een publiek van ruim duizend mensen had het enige moeite zich te manifesteren, maar op zondag 24 januari bleek dat het ruimschoots opgewassen is tegen de normale bezetting tijdens kerkdiensten.
1.9. Op zaterdag 6 februari 1982 werd voor belangstellenden een 'open dag' gehouden. Naar schatting ruim 200 orgelliefhebbers, waaronder veel jongeren, kwamen om te luisteren, zelf te spelen of bekeken de dia-serie van de restauratie, gemaakt door G. Ouweneel. Ook de heren Reil waren aanwezig.
1.10. Half februari bleek het nodig de lade van het bovenwerk extra te ondersteunen. Er dreigden moeilijkheden met het regeerwerk te ontstaan door het begin van verzakking.
Bovendien werd de steunbalk voor de langere bekers van de Dulciaan die eerst aan het dak van de kas bevestigd was, zodanig veranderd dat hij één geheel vormt met de lade.
1.11. In zijn eindrapport noemt Klaas Bolt de klank 'een aangename verrassing' en hij sprak van 'de voortreffelijke intonatiekunst' van de firma Reil.
De conclusie van de Orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk luidde: 'de orgelmakers Reil hebben zeer fraai werk geleverd'.
1.12. De dispositie van het gerestaureerde orgel luidt:
| Hoofdwerk |
|
Bovenwerk |
|
Pedaal |
|
| Prestant |
8 |
Roerfluit |
8 # |
Subbas |
16 |
| Bourdon |
16 |
Viola |
8 # |
Octaafbas |
8 |
| Holpijp |
8 * |
Salicionaal |
4 |
Bazuin |
16 |
| Gemshoorn |
8 * |
Flûte travers |
4 |
|
|
| Octaaf |
4 |
Woudfluit |
2 |
|
|
| Fluit |
4 |
Dulciaan |
8 |
|
|
| Quint |
2 2/3 |
|
|
|
|
| Octaaf |
2 |
|
|
|
|
| Cornet |
3st |
|
|
|
|
| Trompet |
8 |
|
|
|
|
1.13. Vaste organisten waren vanaf 1882:
1. "W. Mijsbergh, orgelstemmer te Rotterdam. Organist te Alblasserdam. Aangesteld 1 Februari 1883." Deze tekst is eigenhandig door hem op een paneel van de kas aangebracht.
2. W. Verhey, aangesteld 1 november 1914
3. W. Stout, aangesteld december 1930 (tot 1972)
4. M. Verheij, aangesteld 1957, tot 1978.
2. De windvoorziening
2.1. De oude windmachine, een Ventus met een toerental ven 1400, werd vervangen door een Meydinger met 2800 toeren por minuut.
2.2. De magazijnbalg bleek niet geheel winddicht meer te zijn en moest gerepareerd worden. Naar het oordeel van fa. Reil was opnieuw beleren onnodig.
De windkanalen werden nieuw gemaakt. Het kanaal naar de lade van het hoofdwerk kreeg een nieuwe toegang, nl. halverwege de Cis?kant, omdat door het terugbrengen van de kas tot de oorspronkelijke proporties er aan de zijkant geen plaats meer was.
2.3. De schokbalg die vroeger tussen magazijnbalg en bovenwerklade was aangebracht en tot taak had de stabiliteit van de klank te waarborgen, is vervallen. De tonen van het bovenwerk zijn daardoor minder strak dan eerst. Tegenwoordig ziet men dit niet meer als een bezwaar en streeft men juist naar een meer levendige klank, terwijl men in het verleden alles in het werk stelde om een absoluut strakke toon onder alle omstandigheden te verkrijgen.
2.4. De pneumatische dubbelslagtremulant is afgedankt en de oude, misschien wel oorspronkelijke, mechanische tremulant die al die tijd werkeloos in een hoek van de orgelkas had gestaan, is weer in ere hersteld. De afstelling van de slag is zeer smaakvol.
2.5. De windladen zijn geheel gereviseerd, waarbij de bestaande constructie zoveel mogelijk is gehandhaafd. De kantsleep en de pneumatische aanbouwsels van 1940 zijn verwijderd. Op de bovenkant en onderkant werden platen hechthout gelijmd, en om de gaten van de lade en aan de onderzijde van de pijpenstokken werden fiberringen aangebracht. Voor de Cornet-Mixtuur werd een nieuwe gedeelde sleep gemaakt.
De kleppen werden opnieuw beleerd en de geleidestiften bevinden zich nu aan weerskanten van de klep en niet meer zoals eerst in een gleuf in de voorzijde.
De nieuwe klepveren hebben een minimale druk, hetgeen er mede toe bijdraagt dat het toucher vrij licht is. Het risico van 'huilers' is er echter iets groter door.
Alle pulpeten zijn vernieuwd, evenals de trekdraden.
De dammen zijn slechts korte smalle stroken hout van ongeveer twintig centimeter lengte, die op enige afstand van elkaar in de lengte van de lade zijn bevestigd, en waartussen de slepen lopen. Door deze constructie is de kans op doorspraak kleiner.
Voor do Trompet, de Cornet-Mixtuur en de Dulciaan zijn nieuwe stokken gemaakt.
2.6. Voor het pedaal is een geheel nieuwe eikenhouten, mechanische sleeplade vervaardigd. Hij is ondergebracht in een aparte achterkast.
2.7. De winddruk bedraagt 70 mm WK.
3. Het regeerwerk
3.1. Het kostte vroeger nogal wat inspanning, vooral bij gekoppelde klavieren, om het orgel te bespelen; de speelaard was zwaar en taai.
Na de restauratie, waarbij de oude klavieren gehandhaafd werden, is het toucher licht en zeer plezierig. Er is een duidelijk waarneembare 'knik' bij het neerdrukken van een toets, waardoor de organist merkt dat hij contact heeft met de speelklep.
Geruisloos lopen de toetsen, vooral die van het onderklavier, niet en bij zacht spel is een beetje gerammel ook in de kerk hoorbaar. Slechts door vernieuwing van de gehele klaviatuur zou dit te voorkomen zijn geweest.
3.2. De gehele mechaniek van toets tot klep werd gereviseerd. Het ondermanuaal dat oorspronkelijk een trekmechaniek had, kreeg nu een drukmechaniek, waarvoor de firma Reil een zogenaamd onderklavier maakte. Hiermee was een essentiële fout in de traktuur van Meijer verholpen.
Veel abstracten werden vernieuwd. Van de walsramen werden de draaipunten van de walsen verbeterd door de invoeringen te verwijderen en het bevestigingspunt van de armen iets te verplaatsen.
Ter verbetering van de pedaalkoppel werd in het walsraam achter het knieschot een verandering aangebracht.
Voor het pedaal werd een nieuwe mechanische traktuur ingebouwd, die onder de hoofdwerklade en het gangpad tussen hoofdkas en achterkas doorloopt.
3.3. Pneumatiek is nog slechts terug te vinden in de verbinding van registerknop naar tremulant. Een dunne loden conduct voert wind aan uit de kleppenkast van het hoofdwerk en loopt via de pneumatiek van de registerknop langs de frontzijde van de bovenwerklade naar de tremulant.
3.4. Het onderklavier ligt nu gelijk met de voorkant van het raam van de gehele speltafel.
Om ruimte te winnen aan de linkerzijde van het orgel om daar de houten Bourdonpijpen te kunnen plaatsen, heeft in 1940 de Firma van Leeuwen de hoofdwerklade, inclusief klavieren ongeveer 10 centimeter verschoven, waardoor het onderklavier toen een decimeter buiten het raam uitstak.
De donkerbruine houten deklaag, die op een zeker moment, waarschijnlijk 1940, op de registerplank boven en aan de linker- en rechterzijde van de speeltafel was aangebracht, is verwijderd.
De speeltafel ziet er thans verzorgd uit, mede doordat hij in wit is uitgevoerd en door de overzichtelijke symmetrische plaatsing van de registerknoppen. Deze knoppen dateren waarschijnlijk van 1940, de naamplaatjes van porselein zitten op de knoppen. In 1882 hadden de registers rechthoekige naamplaatjes onder de knoppen, zoals bleek bij de ontmanteling van de speeltafel in oktober 1980.
De notenhouten bakstukken, ontdaan van hun lagen vernis, zijn nu veel lichter van kleur en harmoniëren fraai met het geheel.
De a' van het ondermanuaal kreeg een nieuw stukje beleg.
De speeltafelverlichting is aangebracht in de bovenkant van de lessenaar, de meest aangewezen plaats.
De naast de speeltafel aangebrachte speaker, die een goede verstaanbaarheid van de predikant voor de organist moet waarborgen voorziet in een behoefte.
Ten gerieve van de organisten is door orgeladviescommissielid G. Boom een muziekkast en een luxe bank gemaakt, waardoor zij het zitten op de altijd harde orgelbank tijdens het uitoefenen van hun liturgische funktie gedurende de preek kunnen compenseren door plaats te nemen op de zoëven vermelde comfortabele zitbank.
De beide lopers met respectievelijk de tekst 'Hallelujah' t 'Looft God in zijn Heiligdom', op 13 december 1917 aan de kerkvoogdij geschonken door meisjes van de naaikrans, zijn weer funktioneel, nadat Zij door mevr. E. Schaddelee-De Koning hersteld zijn.
De oude houten klavierkap is afgedankt.
De windmachine wordt in- en uitgeschakeld met een contactslot, en is thermisch beveiligd.
4. Het pijpwerk
4.1. Door de problemen bij de regelmatige stembeurten, veroorzaakt door de lekkende windladen, en de kennelijk onzorgvuldige wijze van stemmen, werden er in de zestiger en zeventiger jaren nogal wat pijpen beschadigd en verliep de intonatie.
De firma Reil is er in geslaagd dit in het ongerede geraakte pijpwerk weer zodanig op te knappen, dat er een welluidend geheel is ontstaan, dat naar men mag aannemen de originele klank van het orgel toen het nog in goede conditie verkeerde, weer heeft doen herleven.
4.2. Bij acht registers die in 1940 een halve toon opgeschoven waren en derhalve ingekort moesten worden, bleek het opsolderen van verlengstukken nodig. Reil heeft meteen de gelegenheid aangegrepen om de stemkrullen met insnijdingen te vervangen door expressions die de bovenrand van het tamelijk dunwandige pijpwerk beter bestand maken tegen het stemmen.
4.3. De intonatie van de stemmen is met grote zorgvuldigheid, vakmanschap en gevoel voor verhoudingen uitgevoerd. Er is niet gestreefd naar een maximaal klankvolume, maar het doel was de grondtoon ten volle tot zijn recht te laten komen, zonder de voor de klankkleur zo belangrijke boventonen tekort te doen.
De pijpvoeten die destijds, misschien als compensatie van de opgevoerde winddruk, teveel waren dichtgewreven, werden thans verruimd, hetgeen samen met de nu lagere druk een goede aanspraak oplevert.
Het resultaat van dit alles is een fraaie klank, die weliswaar bescheiden is, maar niettemin karakter en helderheid in voldoende mate bezit om aan zijn doel te beantwoorden, nl. te functioneren in de kerkdiensten bij de gemeentezang en daarnaast het spelen van een belangrijk deel van de orgellitteratuur mogelijk maakt.
4.4. De zinken frontpijpen zijn verwijderd en in hun plaats kwamen door Reil gemaakte nieuwe prestantpijpen. De C en de Cis hebben nu ook een plaats in de middentoren van het front. Dat was nu mogelijk doordat de boogvorm beter benut werd. Om te voldoen aan de gegeven proporties die Meijer in zijn front had gelegd, was het nodig de frontpijpen een flinke overlengte te geven.
Van de 57 frontpijpen zijn er 34 sprekend, terwijl de overige 23 geen toon voortbrengen en slechts dienen voor de sier.
De opgeworpen labia zijn met bladgoud verguld.
4.5. De afzonderlijke registers
4.5.1. Het hoofdwerk
| Prestant |
8' |
De binnenpijpen zijn oud, de frontpijpen zijn nieuw. De binnenpijpen, 20 totaal, staan normaal op de lade, terwijl de 34 sprekende frontpijpen door middel van wijde loden conducten op hun pijpenstok zijn aangesloten. |
| Bourdon |
16' |
Van dit register zijn de metalen pijpen, 30 stuks, gehandhaafd. Zij staan op de lade.
De houten pijpen ven deze stem, 24 stuks, zijn nieuw en gemaakt van grenenhout. Ze staan opgesteld naast de lade tussen front en hoofdwerk. Helaas belemmeren ze hierdoor de vrije uitstraling van de klank van de overige registers, maar ongetwijfeld heeft Meijer ze destijds ook zo opgesteld. |
| Holpijp |
8' |
De oude pijpen zijn na het nodige herstelwerk weer in het orgel geplaatst, Het groot oktaaf is van hout. |
| Gemshoorn |
8' |
De pijpen zijn een halve toon opgeschoven, zodat ze weer op hun oorspronkelijke plaats staan. Er is een verlengstuk opgesoldeerd en zij hebben nu expressions. Het groot oktaaf van dit register is gemeenschappelijk met de Holpijp. |
| Octaaf |
4' |
De pijpen zijn teruggeschoven, verlengd en van expressions voorzien. |
| Fluit |
4' |
Het is een gedekte fluit. Het originele pijpwerk is opgeknapt. |
| Quint |
2 2/3 |
De pijpen zijn verlengd, voorzien van expressions en teruggeschoven. |
| Octaaf |
2' |
Voorzien van expressions, verlengd, teruggeschoven. |
| Mixtuur |
2-3st,
bas |
Deze stem is nieuw (60 pijpen). De samenstelling is: C 1 1/3' + 1'; c 2' + 1 1/3' + 1'. |
| Cornet |
3st,
disc |
De vroegere Cornet (1940) was 5 sterk en stond boven de lade. Deze staat weer op de lade en is teruggebracht tot 3 sterk, de mensuur is wijd. In het 8' en 4' koor dat nu vervallen is, is op eenvoudige wijze te voorzien door de Holpijp en de Fluit 4' te gebruiken. De samenstelling: 2 2/3' + 2' + 1 3/5' . |
| Trompet |
8' |
De oude Trompet (1940) die roodkoperen onderbekers had, is vervallen. Reil heeft een nieuwe gemaakt met houten stevels en orgelmetalen bekers. De kantsleep waar de vorige Trompet op stond is verdwenen, de pijpen staan nu op de lade op een nieuwe stok . |
4.5.2. Het bovenwerk
| Roerfluit |
8' |
Het groot oktaaf is van hout en gemeenschappelijk met de Viola. De drie grootste staan naast de lade. |
| Viola |
8' |
De pijpen zljn teruggeschoven, verlengd en van expressions voorzien. Het groot oktaaf is gemeenschappelijk met de Roerfluit. |
| Salicionaal |
4' |
Dit register is na 1940 opgeschoven tot een pseudo-Nasard 2 2/3', waarschijnlijk door de organist W. Stout zelf. De grootste pijpen die er toen op overschoten hebben tot aan de ontmanteling van het orgel in november 1980 onder de pedaallade gelegen. Dat deze verschuiving niet door Van Leeuwen is uitgevoerd blijkt uit een foto van het jaar 1940, waarop de speeltafel zichtbaar is (dus vlak na de restauratie), met op de knop die later de naam Nasard zou dragen nog duidelijk de aanduiding 'Salicionaal 4'. Ook het feit dat er nooit een officieel, porceleinen naamplaatje voor de 'Nasard' geweest is, ondersteunt deze veronderstelling. |
| Flûte travers |
4' |
De pijpen zijn een halve toon teruggeschoven en verlengd. |
| Woudfluit |
2' |
De pijpen zijn verlengd en een halve toon teruggezet. |
| Dulciaan |
8' |
Dit register is nieuw en vervangt de Vox Humana van 1940. De pijpen hebben houten stevels. De egalisatie van de klank zou hier en daar nog een kleine verbetering kunnen ondergaan. |
4.5.3. Het pedaal
| Subbas |
16' |
Nieuw van grenenhout. |
| Octaafbas |
8' |
Een nieuwgemaakt open register van grenenhout met stemschuiven. |
| Bazuin |
16' |
De oude zinken Bazuin is terecht vervangen. De rauwe klank zou bij het huidige orgel storend zijn geweest. Reil maakte een nieuwe met houten stevels, loden kelen en houten bekers (grenen). De langste pijpen zijn verkropt, enkele zelfs tweemaal. Deze stem is ongetwijfeld een aanwinst. |
4.6. In totaal telt het orgel thans 19 stemmen, met in totaal 1017 pijpen.
In 1882 waren er 14 stemmen met 768 pijpen, en na 1940 1270 pijpen, verdeeld over 21 stemmen.
5. De orgelkas
Van de oude kas is niet veel overgebleven tijdens de restauratie.
De zijvelden van 1940 zijn vervallen en in hun plaats kwamen nieuw gemaakte voluten die een getrouwe copie zijn van hun voorgangers die in 1882 de kas sierden.
De door worm aangetaste delen werden behandeld of vernieuwd.
De hoofdkas werd teruggebracht tot zijn oorspronkelijke diepte en het pijpwerk van het pedaal kwam in een aparte achterkast die, met als scheiding een 60 cm breed gangpad, achter de hoofdkas is opgesteld.
De hoofdkas werd van boven afgesloten.
Het blinderingssnijwerk werd door orgeladviescommissielid G. Boom, die ook de versieringen onder de torens vervaardigde, gerestaureerd.
Op de torens werd nieuw kroonwerk geplaatst: een engel, een luit en een harp, ontworpen en gemaakt door Gert Prins te Giessenburg.
Om een betere eenheid tussen orgel en balustrade te verkrijgen, werd de laatste open gemaakt en in een lichtere kleur overgeschilderd.
 
Voetnoten
- Tijdens het schrijven van dit rapport had men blijkbaar Meijer's brieven nog niet gevonden en veronderstelde dus, dat er slechts één orgel in Alblasserdam gebouwd was.
- M.H. van 't Kruijs vermeldt alleen de dispositie van het tweede orgel.
|